Home
Waarom ons?
Informatie
Bouwwoordenboek
Algemene voorwaarden
Werkzaamheden
Project foto's
Contactformulier
Sitemap

Bouwwoordenboek

In de bouwwereld spreekt men zijn eigen taal. Als u met een bouwkundige in zee gaat, krijgt u daarmee te maken. Zo kunt u bij het doorspreken van de bouwplannen of bij het doorlezen van de offerte allerlei vaktermen tegenkomen. Het bouwwoordenboek kan daarbij van pas komen.


 

A
Afföhnen:
Verwijderen van oude verflagen met hete lucht. De verflaag wordt zacht en kan vervolgens gemakkelijk worden afgekrabd. Deze methode is veiliger en beter voor de gezondheid dan afbranden.

Afsnuiten:
Afwerken van houten (constructie)delen door de scherpe kanten weg te nemen.

Algemene voorwaarden:
Zie ook bestek. De voorwaarden waaronder een bouwwerk wordt uitgevoerd en waarin alle rechten en plichten van aannemer en opdrachtgever staan omschreven.

Amoveren:
Slopen.

 

 

 

 

B
Bankhamer:
Kleine voorhamer met een bolle (voor het bewerken van plaatwerk) of vlakke kop (voor werk aan de werkbank).

Bekisting:
Schotwerk om betonspecie (nog niet verhard mengsel van cement, zand, grind en water) in de gewenste vorm hard te laten worden.

Bestek:
Volledige beschrijving van een te maken bouwwerk, inclusief de materiaalkeuze, de uitvoeringsvoorwaarden, de opleveringsdatum en de prijs met alle voorwaarden en voorschriften die daarbij van belang zijn. Het bestek kan met de bestektekeningen de basis vormen van het contract tussen opdrachtgever en aannemer.

Betonskeletbouw:
Bouwmethode waarbij het skelet van het gebouw is opgetrokken van beton. Dit skelet vormt de draagconstructie van het gebouw.

Bint:
Ander woord voor (draag)balk.

Blauwpleister:
Een zo dun mogelijk laagje witpleisterwerk (mengsel van kalk en gips) om muren vlak en glad te maken.

Bovendorpel:
Kozijnrand aan de bovenkant van een deur of raam.


C
Chamottesteen:
Vuurvaste steen van gebakken klei die wordt gebruikt voor het bekleden van open haarden en schoorstenen.

Coating:
Materiaallaag die door sproeien, gieten of verven op een oppervlakte wordt aangebracht.

Compressor:
Apparaat dat lucht (of een ander gas) onder hoge druk brengt. Die druk wordt gebruikt voor het aandrijven van gereedschap of een machine.


D
Dakdoorvoer:
Waterdichte passende plaat met pijp in de dakbedekking voor ventilatie- en rookkanalen.

Daktrim:
Aluminium profiel op een dakrand, meestal gebruikt als afwerking.

Deuvel:
Houten pin waarmee bijvoorbeeld planken aan elkaar bevestigd worden.

Dosse gezaagd hout:
Hout dat evenwijdig aan de jaarringen wordt gezaagd.

Driekiezoor:
Driekwart metselsteen.


E
Elementenbouw:
Bouwen met in de fabriek gemaakte kant-en-klare onderdelen, bijvoorbeeld betonnen gevels, wanden en vloeren. Veelal gebruikt bij nieuwbouw.

Els:
Ander woord voor priem.

Espagnolet:
Deur- of raamvergrendeling in de vorm van stangen.

Ezelsrug:
In omgekeerde V-vorm gemetselde bovenkant van een tuinmuur of scheidingsmuur.


F
Fineer:
Heel dun geschilde of gesneden bladen hout.

Frees:
Een spil of schijf van staal voorzien van een profiel, waarmee groeven of sleuven kunnen worden aangebracht in metaal of hout.

Fretboor:
Speciale handboor voor het boren van kleine, diepe gaatjes op moeilijk bereikbare plaatsen en kleine gaatjes in dun materiaal.

Fijn schuurwerk:
Afwerklaag van kalk, gips en zilverzand voor wanden en plafonds.


G
Gebluste kalk:
Kalk die is ontstaan door het verhitten van kalksteen en die voordat het gebruikt wordt eerst met water wordt bewerkt (geblust).

Gekantrecht hout:
Hout dat aan vier zijden rechthoekig en parallel is afgezaagd.

Geschifte steen:
Metselsteen die ontstaat doordat de hele steen in de lengterichting horizontaal is doorgezaagd.

Glaslat:
Lat van hout, aluminium of kunststof die op het kozijn wordt bevestigd voor het vastzetten van ruiten.

Gresbuis:
Rioolbuis gemaakt van vette klei en chamotte met een glad en keihard oppervlak.

Gootbeugel:
Beugel waarin de dakgoot leunt.

Granol:
Sterk sierpleisterwerk met een meer of minder grove structuur.


H
Halfsteenmuur:
Muur van dezelfde dikte als de halve lengte van een metselsteen.

Hanebalk:
Horizontale houten balk vlak onder de nok van het dak, die deel uitmaakt van de dakspantconstructie.

Hart-op-hart:
Afstand tussen het midden van de ene balk tot het midden van de andere balk.

Hoektroffel:
Gereedschap van een stukadoor waarmee hij rechte hoeken kan maken op afgepleisterde muren en plafonds.

Houtskeletbouw:
Bouwmethode waarbij de dragende delen van het gebouw gemaakt zijn van een houten skelet van balken, kolommen en platen.


I
Inbouwplan:
Dat deel van het woningontwerp dat gaat over het binnenwerk. Bijvoorbeeld niet-dragende muren, de keuken en en badkamer.

Inbussleutel:
Klein L-vormig stalen staafje met twee gebruikszijden voor het schroeven van zeskantige schroeven.

Inwassen:
Vullen van de voegen na het aanbrengen van tegels.


K
Kalf:
Horizontale regel in een kozijn (tussendorpel).

Keilbout:
Bout waarmee zware voorwerpen aan de muur worden vastgemaakt.

Kipkar:
Klein karretje voor het vervoeren van materialen als zand en steen over een smal spoor op de bouwplaats. De kar heeft een bak die gekanteld kan worden.

Klamp:
Houten lat waarmee planken of schroten bijeen worden gehouden

Klapzand:
Zand dat onder de bestrating van tegels en straatwerk wordt gebruikt.

Klepraam:
Tuimelraam.

Knikpan:
Dakpan waarmee een dak waarin een knik zit ononderbroken bedekt wordt.

Kraal:
Buitenkant van een zinken goot.

Kubel:
Trechtervormig vat waarmee beton in de bekisting wordt gegoten.


L
Lessenaarsdak:
Schuin, ononderbroken hellend dak.

Lintvoeg:
Horizontale, doorgaande specievoeg in metselwerk.

Loodslabbe:
Stroken lood voor het maken van waterdichte aansluitingen tussen constructies.


M
Maaiveld:
Hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning.

Mansardekap:
Dak dat bestaat uit twee vlakken, omdat de dakvlakken geknikt zijn.

Meerwerk:
Extra werk voor de aannemer dat van tevoren niet is begroot (bijvoorbeeld extra stopcontacten of duurdere kranen).

Minderwerk
Werk dat wel is begroot, maar tijdens de uitvoering komt te vervallen (bijvoorbeeld één wastafel plaatsen in plaats van twee, zoals oorspronkelijk bedacht).

Mortel:
Uitgehard mengsel van cement, zand en water.


N
Natte cel:
Bouwkundige benaming voor badkamer.

Noest:
Ander woord voor kwast.


O
Onderaannemer:
Aannemer die in opdracht van een hoofdaannemer een bepaald onderdeel van de verbouwing voor zijn rekening neemt, bijvoorbeeld een stukadoor of schilder.

Onderslagbalk:
Horizontale balk om bovenliggende muur op te vangen

Opperman:
Degene die de specie aanmaakt en dat samen met de stenen bij de metselaar brengt.

Overstek:
Het overstekende deel van een dak of gootconstructie.


P
Panieksluiting:
Sluiting van een nooduitgang die in geval van nood eenvoudig opengemaakt kan worden.

Panlat:
Horizontale lat waaraan de dakpannen worden gehangen.

Piket:
Kleine ronde paaltjes met een oranje kop waarmee de plek van het te bouwen object wordt gemarkeerd.

Pielmannetje:
Afstandslatje tussen betonbekistingen.

Pui:
Onderste deel van een gevel.


R
Rachel:
Horizontale houten lat waaraan plafonds worden bevestigd.

Raveelbalk:
Dwarsbalk die de draagbalken rondom een vloeropening opvangt, bijvoorbeeld bij een trapgat.

Rensdak:
Dak bedekt met leien die aan de onderkant rond zijn.

Ringsleutel:
Sleutel met een stalen steel waarmee zes- of twaalfkantige moeren en bouten vast- of losgedraaid worden.

Rooilijn:
Grens tot waar gebouwd mag worden.


S
Scheluw:
Materiaal dat scheef of kromgetrokken is door vocht of droogte.

Schulpen:
Overlangs zagen van hout

Slaper:
Steunende ligger in een kapconstructie.

Spouwmuur:
Dubbele muur met een ruimte ertussen (de spouw).

Stelpost:
Onderdeel van de begroting dat nog niet exact vastgesteld kan worden, maar wel geschat. Bijvoorbeeld de nog niet definitief uitgekozen keuken.


T
Te lood:
Honderd procent recht.

Trapboom:
Deel van de trap waarin de traptreden vastliggen.

Troffel:
Metselgereedschap waarmee specie wordt aangebracht.

 

 

 

U
Uitbloeding:
Uitslag van zout in het metselwerk.

Uitvoerder:
Medewerker van het bouwbedrijf die belast is met de dagelijkse leiding op de bouwplaats.

 

 

 

V
Vallicht:
Raam aangebracht in het dakvlak waardoor meer licht valt op de gang of op de trap.

Verduurzamen:
Conserveren van hout om het te beschermen tegen aantasting.

Verfbestek:
Omschrijving van het uit te voeren schilderwerk, bijvoorbeeld te gebruiken verfsoorten en de volgorde waarin geschilderd wordt.

Vledder:
Behangborstel.

Vuil metselwerk:
Metselwerk dat later onzichtbaar wordt door de opgebrachte afwerklaag.


W
Wang:
Zijkant van een trap of dakkapel.

Welstuk:
Bovenste trede van de trap.

Werktekening:
Nauwkeurige tekening van de samenstelling en afmetingen van een constructie.

Windveer:
Houten plank die tegen de buitenste rij pannen van het dak wordt geplaatst om afwaaien te voorkomen.


Z
Zakgoot:
Brede en diepe goot tussen twee verschillende dakschilden.

Zakker:
Druppel die het resultaat is van een te dik aangebrachte verflaag.

Zoetschaaf:
Ander woord voor vlakschaaf, een schaaf die niet diep schaaft maar alleen afvlakt.

Zoom:
Buitenrand van een dakbedekking van metaal.


 

 


 


 

Verder
Bouwservice Van de Moosdijk BV | info@bouwservicevandemoosdijk.nl